Waarom één locatie beter is dan twee

  1. Per tumorsoort slechts 5 tot 25 nieuwe gevallen per jaar:
    • Opsplitsen in twee gelijke helften is bij deze aantallen niet zinvol. De norm van de Inspectie is minimaal 20 patiënten per jaar. NFU en NKOC hebben al in oktober 2008 gezamenlijk vastgesteld dat een dergelijke opsplitsing in twee gelijke helften niet zinvol is.
    • Keuze voor twee centra zou leiden tot onnodige verdunning van de schaarse expertise op vele onderdelen van zorg- en onderzoeksniveau.
    • Concurrentie in kinderoncologie moet niet nationaal maar internationaal worden gezien: geen twee maar één locatie dus.
    • Kinderkanker wordt als totale groep geclassificeerd als weesziekte. Alle individuele vormen van kinderkanker zijn dus ook officiële weesziekten. Er is consensus dat behandeling van weesziekten op één locatie dient te geschieden.
  2. Opsplitsing naar tumorsoort in één hemato-oncologisch en één solide tumorcentrum betekent in praktijk één nationaal centrum voor iedere patiënt. De argumenten voor een dergelijke splitsing (keuzemogelijkheid, back-up, concurrentie/monopolie, opleiding, reisafstand e.d.) gaan dus niet op bij opsplitsing in twee verschillende locaties:
    • Ouders hebben geen keuzemogelijkheid omdat een kind met een bepaalde maligniteit op één plek terecht kan.
    • Er is geen back-up mogelijkheid want er is maar één centrum voor iedere maligniteit. Vangnet/back-up bij calamiteiten is overigens ook bij één locatie prima mogelijk. Het gaat in de kinderoncologie niet om dure apparatuur die niet verplaatsbaar is, maar om menselijke expertise die in geval van nood gemakkelijk tijdelijk ergens anders te plaatsen is.
    • Concurrentie is er niet omdat er per tumorsoort maar één locatie is. Monopoliepositie is dus ook niet anders dan bij één locatie.
    • Reisafstand is niet anders dan bij één locatie want er is per tumorsoort maar een locatie.
    • Opleiding bij een locatie per tumorsoort is niet anders dan bij één gemeenschappelijke locatie.
  3. De splitsing (naar tumorsoort) in twee locaties heeft geen voordelen maar wel nadelen ten opzichte van één locatie (zie verder hier onder).
  4. Kritische massa voor onderdelen van de zorg die alle maligniteiten gemeenschappelijk hebben, is groter bij één locatie dan bij twee locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor:
    • ondersteunende zorg (supportive care)
    • opvang van complicaties
    • speciële diagnostiek (bv. pathologie, tumorgenetica, (neuro)radiologie, infectiologisch)
    • psychosociale zorg
    • specialistische verpleegkundige expertise (o.a. chemotherapie, voeding, supportive care en complicaties)
    • apotheek
    • palliatieve zorg
    • onderdelen van de complexe oncologische zorg, zoals radiotherapie
  5. Bundeling van onderzoek is beter bij één, dan bij twee locaties:
    • hogere aantrekkingskracht op toptalent
    • beschikbaarheid van patiëntenmateriaal voor onderzoek die tumortype-overstijgend is
    • groter fondsenwervend vermogen
    • versterking internationale positie
  6. De efficiëntie is hoger en de kosten zijn lager bij één locatie voor alle onderdelen van zorg en onderzoek, o.a.:
    • alle onderdelen genoemd onder 3 en 4
    • invoering van behandelprotocollen
    • datamanagement
    • kwaliteitscontrole
    • invoering van nieuwe technieken
    • delen van apparatuur en dure faciliteiten voor onderzoek
    • uitvoering nationaal onderzoeksprogramma kinderoncologie
  7. Sterkere (internationale) positie bij één locatie, want:
    • kinderoncologisch ‘centre of reference’ voor Europa en één van de drie grootste ter wereld
    • groter internationaal fondsenwervend vermogen
    • sterkere positionering ten opzichte van bedrijfsleven/kenniseconomie/innovatie
    • mogelijkheden tot persoonlijke ontplooiing van personeel
    • personeel kan over afdelingen rouleren
    • grote wervingskracht op internationale onderzoeksgroepen